![]() |
330 GT Registry |
![]() |
Translate to English
(Bing)
Translate to English (Google)

Hier begon Gian Piero Ori in ‘55 als leerjongen.
Het was de periode dat Jacques Swaters nog zelf te zien was aan het stuur van de
500 F2.
ITALIAANS VAKMANSCHAP IN BELGIË
Modena, Turijn of Milaan. Het zijn stuk voor stuk steden waar ook nu nog autogeschiedenis wordt geschreven. Namen als Ferrari, Lamborghini, Maserati maar ook Zagato, Touring of Pininfarina zijn hier niet meer weg te denken. Liefhebbers van oude Italiaanse schoonheden hoeven echter niet steeds de Alpen over te steken om hun vierwieler een grondige beurt te geven. Bij Gipimo te Evere vindt je immers echt Italiaans vakmanschap waardoor een grondige restauratie ook bij ons mogelijk wordt.
Het begon allemaal in
1948 toen «il signor» Ori besloot het wondermooie Toscanië te ruilen voor het
druilerige België. Het naoorlogse Italië had immers te kampen met een enorm
werkloosheidsprobleem zodat «il signor» tijdelijk gedwongen werd z’n familie te
verlaten, In ‘51 liet hij z’n vrouw en twee zonen overkomen om zich te vestigen
in het Brusselse Noordkwartier. Dit stadsdeel, dat nu volop door Turken wordt
bewoond, is immers steeds bevolkt geweest door inwijkelingen. Noemde men het
kort na de 2de wereldoorlog nog «La colonie italienne» dan veranderde dit na
enkele jaren in de Griekse kolonie. Voor de Ons betekende de verhuis een ernstig
aanpassingsprobleem. Vooral de toen elfjarige Gian Piero had aanvankelijk last
met de Franse taal. Bij z’n zes jaar jongere broer daarentegen speelde de
leeftijd in z'n voordeel zodat de jonge spruit het taalprobleem met heel wat
minder moeite overwon. Op het ogenblik dat de kleine Massimo nog dartel door de
basisschool vloog ving voor Gian Piero het ernstige studiewerk aan. Hij volgde
les aan «l’Institut du Sacré Coeur» dat toen gelegen was aan «La rue verte».
De veeleisende ouders vonden dat Gian Piero zich niet tevreden mocht stellen met
een 2de plaats. De kleine Massimo was immers steeds de beste in z'n klas. Toen
hij 15 werd slaagde Gian Piero er uiteindelijk in als primus het schooljaar te
beëindigen. De zware inspanning die hij hiervoor moest leveren deed hem echter
definitief besluiten de school te verlaten en werk te zoeken.
![]() |
G. P. Ori met Wily Mairesse tijdens de 500 km van Spa. Mairesse kwam per vliegtuig rechtstreeks van Brands Hatch, brak tijdens z’n tweede oefenronde het ronderekord en won de race met de 250 GTO. |
|
Foto hieronder: |
|
|
|
|
Garage Francorchamps
Al snel werd hij als
leerjongen aangenomen bij de amper een jaar oude Garage Francorchamps die toen
nog gelegen was aan de «Rue de la Brasserie» nr 25. Hoewel dit voor vele
jongeren een droom lijkt om dadelijk bij Ferrari in dienst te treden, had Clan
Piero aanvankelijk geen echte interesse voor auto’s.
De naam Ferrari zat in die periode wel reeds volop in de lift maar toch mag je
niet vergeten dat Enzo Ferrari pas in ‘47 auto’s onder z’n eigen naam begon te
bouwen. De liefde voor mooie wagens in het algemeen en voor racewagens in het
bijzonder kreeg echter ook Gian Piero te pakken. De eigenaar van Garage
Francorchamps, Jacques Swaters nam immers regelmatig deel aan diverse races met
de types 600 F2 en de 760 Monza.
Een andere aktiviteit van Garage Francorchamps was het invoeren en monteren van
Abarth-kits. Gian Piero kreeg van Jacques Swaters de kans om een stage te volgen
bij Abarth in Turijn zodat hij al snel de Abarth-specialist van Garage
Francorchamps werd. De dagtaak werd steeds gevolgd door avondlessen aan
«l’Institut des Arts et Métiers» waardoor de praktijk degelijk aangevuld werd
met de noodzakelijk theoretische achtergrond. Op zeventienjarige leeftijd werkte
Gian Piero kwasi uitsluitend aan de Fiat’s 600. Het ombouwen van deze
democratische vierwielers tot een 750 TC Abarth betekende immers voor velen
zoveel als het verwerven van een Golf GTi 16V nu.
In ‘58 werd het Abarth-gamma gevoelig uitgebreid met de wijzigingen op de Simca
1000. Met een cilinderinhoud die werd vergroot naar 1300 cc vormden deze
Simca-Abarth’s een aanbieding in een hoger marktsegment. Ook de Abarth Zagato’s
maakten hun opwachting. Deze op Fiatbasis gebouwde racewagens kenden heel wat
successen door hun ver doorgedreven aerodynamische vormgeving. Vooral de 1000
«Bialbero», waarvan de krachtbron twee bovenliggende nokkenassen had, werd hier
in België regelmatig ingezet. In deze periode bleef voor Gian Piero het werk
niet meer beperkt tot de Garage maar kreeg hij de kans om ook op circuit de
nodige ervaring op te doen.

De 275 GTB2 nr. 24 van Claude Dubois liep warm tijdens de
24-uren van Le Mans in ‘66.
G.P. Ori sneed de voorzijde open om meer koeling te verkrijgen.
Zonder papieren naar Italië
Z’n carrière als
technieker bij de «Ecurie Francorchamps» startte in 1959 met de assistentie van
de gebroeders Jean en Armand Blaton. Beide autofreaks reden echter onder de
respectievelijke pseudoniemen Beurlys en Blary. Met een kersverse Ferrari 250
GT, nr. 1321 GT, werd er deelgenomen aan de 1000 km van de Nurburgring. Tijdens
de trainingen maakte Blary echter een koprol waardoor de vooruit sneuvelde. Ook
het dak was flink gedeukt maar dit betekende voor de mechaniekers van «Ecurie
Francorchamps» geen probleem. De hele nacht werd er gewerkt om de wagen opnieuw
rijklaar te maken. Het dak werd zo goed en zo kwaad als mogelijk in z’n
oorspronkelijke vorm geklopt en met mica werd de voorruit geïmproviseerd. Op
zondag 7 juni verschenen de gebroeders Blaton met hun opgekalefaterde 250 GT aan
de start alsof er niets gebeurd was. Uiteindelijk behaalden ze een negende
plaats in het algemeen klassement en wonnen ze zelfs hun klasse. De andere
Ferrari 250 GT van «Ecurie Francorchamps», de wagen bestuurd door het duo
Dernier-Bianchi, eindigde op de tiende plaats.
Op dinsdagochtend werd de toen 18-jarige Gian Piero bij Jacques Swaters geroepen
waar hij de boodschap kreeg dat Jean Blaton graag zou deelnemen aan de 24-uren
van Le Mans met de beschadigde 250 GT. De wagen zou voor deze zware etmaalrace
echter opnieuw in prima conditie moeten verkeren zodat Gian Piero dadelijk met
de auto naar Modena moest vertrekken. In z’n haast om snel wat kledij en andere
benodigdheden bijeen te scharreten, vertrok hij echter zonder papieren. Het was
echter bij de grensovergang naar Frankrijk dat Gian Piero dit ontdekte. Na enige
discussie toonden de douaniers heel wat begrip en lieten de gedeukte 250 GT z’n
reis verder zetten. In de omgeving van Chalon echter bleef de met nr. 55
getooide Ferrari niet onopgemerkt voor de politie. De vrije uitlaten en de
snelheid waarmee de jonge technieker over de wegen schoof, bleken niet naar de
zin van de gendarmerie. Toen bovendien bleek dat de jonge snaak geen enkel
document bij zich had, was het hek helemaal van de dam. Een half uur duurde het
palaver tot Gian Piero het woord «Le Mans» liet vallen.
De legendarische 24-uren bleken ook voor de gendarmerie een onaantastbaar
heiligdom te zijn waarvoor alles toegelaten bleek, Nog even geïnteresseerd de
motor keuren en hop opnieuw was hij op weg richting Italië. Dit neemt niet weg
dat er tot viermaal toe een gendarmeriepatrouille voor een half uurtje oponthoud
zorgde maar telkens weer deed het woord «Le Mans» wonderen. Uiteindelijk kwam
Gian Piero om 2 uur ‘s nacht aan de grensovergang op de Col du Mont Cenis. De
Italiaanse douane bleek echter immuun voor het toverwoord «Le Mans». Zonder
papieren kwam hij er niet in. De Ferrari stond op de koude bergtop enkele uren
net voor de grensovergang tot om 6 uur ‘s ochtends de douanebeambten werden
afgelost.
Alvorens aan het werk te gaan, bracht de nieuwe ploeg de tijd door met het
nuttigen van een flinke kop hete koffie. Genoeg tijd voor onze jonge mechanieker
om de handrem zachtjes te lossen zodat de 250 GT langzaam maar zeker bergaf
begon te rollen. Met gedoofde lichten gleed de Ferrari enkele kilometers naar
beneden zonder dat de douaniers iets hadden gemerkt. Toen het gegrom in de nacht
weerklonk, was de Ferrari reeds ver weg. De helse rit eindigde tenslotte om tien
uur ‘s ochtends aan de Assistenza Clienti die toen nog gelegen was aan de Viale
Trento Trieste de Modena.
3de plaats in Le Mans
Na een telefoontje naar
Jacques Swaters, die reeds ongeduldig zat te wachten op nieuws, plofte een
uitgeputte Gian Piero zich op het bed in Hotel Palace aan de Via Emilia. Het
werd een diepe slaap, die liefst 24 uren zou duren. Hierna assisteerde de jonge
technieker de specialisten te Modena die de 250 GT weer als nieuw maakten. De
brede zwarte band die de wagen sierde op de Nurburgring werd nu geel
geschilderd.
Uitzonderlijk was de wagen een week nadien volledig gereviseerd en kon de 25OCT
op een vrachtwagen worden geladen om richting Le Mans te vertrekken. Op
dinsdagavond 16 juli was de wagen ter plaatse zodat de technische keu ring op
woensdagochtend kon plaatsvinden. De trainingen verliepen zonder problemen zodat
de wagen bestuurd door Dernier en Beurleys op een goede startplaats stond. Ook
tijdens de race bleek de spoedoperatie te Modena haar vruchten af te werpen daar
de 250 GT probleemloos rondjes draaide tot op zondagvoormiddag. De Ferrari kwam
onverwacht de pits opzoeken en wat bleek, je kon het rempedaal volledig
indrukken zonder effect. Doordat de remvoeringen van de trommelremmen volledig
op waren, was de olie erin geslaagd te ontsnappen. Het lek had bij een voorrem
plaatsgevonden maar veel tijd verliezen kon niet. Door de koperen leiding van de
defecte rem te pletten werd het euvel verholpen. De wagen had nu echter nog maar
drie remmen maar beëindigde de 24-uren op een schitterende derde plaats en
eerste in de GT-klasse.
Steve McQueen
Na deze prestatie had Gian Piero definitief een plaats verworven in de «Ecurie Francorchamps» , In ‘60 werd er deel genomen aan de races te Francorchamps, de 24-uren van Le Mans en de 1000 km van de Nurburgring. Hoewel er hier en daar ook nog andere wedstrijden werden gereden, vormden deze drie evenementen telkens weer de hoogtepunten van het seizoen. In de Garage Francorchamps was er wat veranderd. Het departement Abarth was steeds de bezigheid geweest van Jacques Coune, een vennoot van Jacques Swaters. De verstandhouding tussen beide was niet meer wat het was geweest zodat Jacques Coune besloot voor eigen rekening te beginnen. Samen met het vertrek van Coune verdween ook Abarth bij Garage Francorchamps. Van dat ogenblik af werkte Gian Piero nog enkel voor het raceteam en voor de gefortuneerde klanten. Overigens was één van de meest bekende klanten Prinses Liliane van Réthy, de tweede vrouw van Koning Leopold III. Tijdens de jaren zestig beleefde «Ecurie Francorchamps haar hoogdagen. Zowel in ‘61 als in ‘62 klasseerde een wagen van het team zich 3de te Le Mans. Werd dit eervol resultaat in ‘61 nog gehaald met een 250 SWB dan was het in ‘62 opnieuw Jean Blaton die de nieuwe 250 GTO naar een podiumplaats stuurde. Overigens is het in het racewereldje niet zo bekend dat Beurlys in deze meest legendarische uithoudingswedstrijd liefst 4 maal op een derde stek eindigde en zelfs eenmaal op de tweede plaats. Dit was in 1963 en opnieuw met de succesvolle 250 GTO. Het beste resultaat in Le Mans haalde «Ecurie Francorchamps» ongetwijfeld in ‘65. De wedstrijd had zich aangekondigd als een titanenstrijd tussen de officiële teams van Ford en Ferrari maar ‘s avonds waren al deze wagens reeds van het toneel verdwenen. Het Belgische Ferrari-stal nam met drie wagens de leiding met op kop de 250 LM bestuurd door het duo Gosselin-Dumay. Op de tweede plaats volgde de 250 LM van hun teamgenoten Langlois-Dernier en op de derde plaats de 275 GTB2 van Mairesse-Beurlys. Om vijf uur ‘s morgens gaf de 250 LM van Langlois-Dernier de geest. Enkele uren later moesten Mairesse-Beurlys hun tweede plaats prijsgeven aan Jochen Rindt’s Ferrari 275 LM van het N.A.R.T.-racingteam. Rond 14 u met nog amper twee uur voor de boeg sloeg echter het noodlot toe. Hoewel de technici van Dunlop tijdens de laatste pitsstop niets abnormaals vonden, werd de leidende wagen het slachtoffer van een klapband bij 270 km/u. De wagen verloor alle benzine en het koetswerk was zwaar beschadigd. Toch slaagde Gosselin erin om het wrak tot in de stands te rijden. Dit vroeg hem wel twintig minuten en dus de eerste plaats. Snel werd de wagen weer rijdbaar gemaakt o.a. door één van beide benzinereservoirs af te sluiten. Uiteindelijk eindigde de wagen op een tweede plaats net voor de 275 GTB2 die de GT-klasse won. Voor Gian Piero Ori blijft dit het hoogtepunt van z’n carrière als mechanieker in de «Ecurie Francorchamps». Hoewel er nadien nog regelmatig werd deelgenomen aan belangrijke races en dit met wagens als de P2, de 330 P4 of de 512 S/M haalde het team niet meer dat resultaat, Hoewel het team nooit officieel werd opgedoekt, beschouwt Gian Piero 1970 als een eindpunt. Jacques Swaters had immers een overeenkomst getekend met Steve McQueen om materiaal en assistentie te verlenen voor diens «Le Mans»- verfilming. Gedurende drie maanden losten de technici van «Ecurie Francorchamps» elkaar af te Le Mans waar de opnames plaatsvonden. De wagens werden regelmatig herschilderd en soms reden er Ford-seriewagens waarop een voor- en achterstuk van een Ferrari was gemonteerd. Heel wat wagens en stukken gingen verloren in crashes. Zo werden er telegeleide wagens gebruikt op schaal 1/1 die door een bovenvliegende helikopter werden bestuurd. Bomen werden half doorgezaagd zodat op het ogenblik van de geënsceneerde crash de technici met een touw de bomen omtrokken. Er was zelfs een vliegtuig voorzien om snel wisselstukken te Maranello op te halen. Het is duidelijk dat voor een liefhebber van mooie wagens als Gian Piero deze periode nog steeds een wrange nasmaak laat.
|
|
|
|
|
Dia 1. Hierboven: |
Dia 2. Rechtsboven: |
|
|
Dia 4. Dit is slechts een deel van wat er steeds bij GIPIMO te zien is. De Ferrari Daytona werd volledig door Gian Piero gerestaureerd en wacht nu op een koper. |
Dia 3. Hiernaast: |
|
|
|
||
Op eigen benen
Hoewel er aanvang de
jaren zestig nog sporadisch met de 365 GTB4 en later met de 512 BBLM werd
geraced, lag het accent voor Gian Piero’s werk opnieuw in de werkplaats. De
samenwerking met Jacques Swaters verliep immers opperbest en de waardering was
en is nog steeds wederkerig. Overigens steekt Gian Piero het niet onder stoelen
of banken dat hij z’n vakmanschap te danken heeft aan Jacques Swaters. Tijdens
de jaren zestig ging er bijna geen maand voorbij zonder dat G.P. Ori zich kon
bijscholen te Maranello , Hier vergaarde hij een bagage die jongere mechaniekers
nooit kunnen bieden.
Toen Gian Piero in ‘81 dan ook besloot om Garage Francorchamps te verlaten, had
dit dan ook niets met een conflict- situatie te maken. De oorzaak was eerder te
vinden in de werkdruk die voor hem niet meer vol te houden was. De hele
organisatie en verantwoordelijkheid van het technisch departement was immers aan
hem toevertrouwd en dit werd hem teveel.
Z’n jongere broer Massimo had het ondertussen ver gebracht. Aan de universiteit
te Leuven had hij niet enkel deel genomen aan de studentenrevolte in ‘68 maar
ook nog een diploma Burgerlijke Ingenieur Mechanika-Elektriciteit in de wacht
gesleept. Tijdens de jaren zestig werkte hij achtereenvolgens bij Acec
(Charleroi), Olivetti en Crownbaele alvorens in ‘81 samen met z’n broer het
bedrijf GIPIMO op te richten, De eerste aktiviteit bestond enkel uit in- en
export van wagens. Hierdoor werden er talrijke kontakten gelegd met als gevolg
dat er vraag kwam naar een garage voor het onderhoud van de door GIPIMO
geïmporteerde wagens. In ‘87 werden de huidige lokalen aan de Avenue de
Cimetiëre 89 te Alseme in gebruik genomen. Tevens werd er gewerkt aan de
assistentie van de Dallara F3 waarmee Harald Huysmans het Duitse kampioenschap
zou betwisten. Regelmatig haalde het team goede resultaten waaronder een tweede
plaats op de Avusring.
In ‘88 hadden de restauratie- en garageactiviteiten van GIPIMO zon vlucht
genomen dat er voor raceassistentie nog nauwelijks tijd bestond. Op dit ogenblik
worden nog enkel de Ferrari’s 308 Groep 4 en een Dino 246 GT «Evolutions»
begeleid tijdens clubraces. Het bedrijf wordt commercieel en administratief
gerund door Massimo die de werkplaats onder de hoede van Gian Piero laat. Bij
elk bezoek sta ja weer versteld welke exclusieve collectiestukken ons landje
toch rijk is. Bij GIPIMO tref je dan ook andere klanten dan hij de officiële
invoerders. Meestal zijn het mensen met een hele verzameling die dit echter niet
aan iedere neus hangen.
Bovendien vinden ze bij GIPIMO een typisch stukje Italië zoals het middagmaal
dat samen in een achterkeuken wordt genomen. Iedereen levert z’n bijdrage tot de
ingrediënten van wat door Massimo vakkundig tot een typisch Italiaanse sla wordt
omgetoverd. Dit betekent echter niet dat bij GIPIMO alleen aan Ferrari’s
gesleuteld wordt. Je treft er zowel een brilkevertje als een Volvo PV444 aan.
Toch ligt de nadruk op het zwaardere geschut als Lancia’s Stratos of 037 en de
verschillende Lamborghini’s. Bij gebrek aan een degelijke service van dit
laatste merk hebben reeds heel wat Lambo-fans de weg naar GIPIMO gevonden. Hier
is glitter van geen tel maar wel echte passie voor techniek.
Paul E. Frère
Uitgeverij de Groeve © 1995